Sehnsucht

Ik begeef me in een droom. 

Ik rij door stegen in een koets.

Hoeven verkondigen mijn komst over kinderkoppen.


De lucht is grijs en er is storm op komst.

Het huis staat in brand en mijn paard huivert in paniek.

Ergens loopt er een dief die door niemand wordt gezien.


Zwarte paarden met zwarte manen en rookwolken in juni,

maar het doet me geen verdriet.

Ik ben door honderd dolken neergestoken dus voel ik mezelf niet.


Ik wil diepe sneeuw; dieper dan mijn verdriet.

Dieper dan het graf dat jij voor mij gegraven hebt, 

en dieper dan de manen van mijn paarden in een maanloze nacht.


Ik wil geluid, ik wil geschreeuw, maar mijn pen is oh zo stil.

Ik ben mislukt en heb gefaald, 

en de schaduw van schaamte is nu mijn thuis.


Ik wist iets; het is gesmolten in mijn hand als sneeuw,

of opgegaan in rook.


 
Previous
Previous

Zomerheuvels

Next
Next

A palimpsest of images in writing